Paniekaanvallen voelen alsof je de controle verliest, terwijl je rationeel ergens nog wéét dat je “gewoon thuis op de bank zit” of “gewoon in de rij bij de kassa staat”. Toch schreeuwt elk signaal in je lijf dat er nú iets levensgevaarlijks gebeurt, en precies dat dubbele gevoel maakt het zo uitputtend.
Het begint vaak onschuldig
De meeste paniekaanvallen beginnen niet met het woord “paniek”, maar met vage lichamelijke klachten. Een beetje druk op je borst, licht in je hoofd, een raar gevoel in je buik of een golf van warmte die vanuit je borst naar je hoofd stijgt.
Je denkt: “Gek… vast te snel opgestaan” en je gaat door met wat je aan het doen bent. Tot je ineens merkt dat je hart véél sneller klopt dan normaal, je ademhaling hoog en snel wordt en je het gevoel krijgt dat je geen volle teug lucht meer kunt nemen.
Op dat moment schuift er een gedachte naar binnen: “Wat als er iets mis is? Wat als ik flauwval… of een hartaanval krijg?” En precies dáár, in die paar seconden, slaat een gewone lichamelijke sensatie om in een paniekaanval.

Wat er in mijn lijf gebeurt
Tijdens een paniekaanval draait je lichaam de knop “noodtoestand” volledig open. Het is de bekende fight‑or‑flight‑reactie: je lijf reageert alsof je moet rennen voor je leven, terwijl jij gewoon in de supermarkt, op de fiets of in bed ligt.
Zo voelt dat van binnen:
Mijn hart bonst in mijn keel, zo hard dat ik het in mijn oren hoor.
Mijn adem gaat snel en oppervlakkig, ik hap naar lucht maar heb het gevoel dat er niets “binnenkomt”.
Mijn handen en benen beginnen te trillen, soms tot ik een glas niet meer goed vast kan houden.
Ik word licht in mijn hoofd, alsof de wereld een fractie naar achteren schuift en ik er net naast sta.
Er zijn tintelingen in mijn vingers, lippen, voeten, en het voelt alsof ik elk moment kan omvallen.
Wat je níet voelt, maar wat op de achtergrond gebeurt, is dat je lichaam overspoeld wordt met adrenaline en andere stresshormonen. Je hart gaat sneller pompen, je spieren spannen aan, je ademhaling verandert – allemaal bedoeld om je “veilig” te houden, maar in een paniekaanval wordt die reactie een vijand in plaats van een hulp.
De gedachten die alles erger maken
Het meest pijnlijke van paniekaanvallen is niet eens het zweten of de hartkloppingen, maar wat je hoofd er meteen bovenop gooit. De lichamelijke sensatie is vaak de trigger, maar de gedachten zijn de benzine op het vuur.
Herken je deze?
“Dit is niet normaal, er is nu écht iets mis met mijn hart/longen/hoofd.”
“Als ik nu flauwval, ziet iedereen het, ik word compleet gek.”
“Straks kom ik hier niet meer uit, straks stopt het niet.”
“Ik verlies de controle over mezelf, ik ga doorslaan.”
Ondertussen bevestigen de lichamelijke reacties precies deze angst: hoe banger je wordt, hoe sneller je hart en ademhaling gaan, hoe meer je gaat letten op elk signaaltje in je lichaam. Zo ontstaat er een cirkel: je voelt iets, je schrikt, je lichaam reageert, je schrikt nóg meer, en binnen een paar minuten zit je midden in een paniekaanval.
Paniek op de meest gewone plekken
Wat paniekaanvallen extra vernederend laten voelen, is dat ze vaak toeslaan op momenten die voor anderen totaal normaal zijn.
In de tram, opeengepakt tussen mensen, terwijl de wereld om je heen gewoon verder kletst en telefoons checkt.
Aan tafel in een restaurant of tijdens een uitje met werk, terwijl je denkt: “Als ik nu weg moet, merkt iedereen het”.
Thuis op de bank, uit het niets, waardoor je ineens zelfs je eigen huis niet meer volledig veilig vindt.
Dat maakt dat je steeds alerter wordt op “gevaarlijke” situaties: drukke winkels, openbaar vervoer, vergaderingen, rijlessen, een bezoek aan de kapper, zelfs een rondje wandelen in je eigen wijk. Een deel van je brein blijft scannen: “Kan ik hier weg als het misgaat? Is er iemand in de buurt die me kan helpen?”
En nog voordat je het doorhebt, ga je bepaalde plekken of situaties vermijden. Eerst kleine dingen, daarna misschien hele delen van je dagelijkse leven.
De schaamte waar niemand over praat
Naast de rauwe angst is er nog iets wat zwaar weegt: schaamte. Je ziet jezelf als “iemand die het niet aan kan”, iemand die rare dingen voelt terwijl iedereen anders “gewoon normaal doet”.
Je bent bang dat anderen denken dat je je aanstelt, dat het “allemaal tussen je oren zit”, of dat je “gewoon even rustig moet doen”. Dat soort opmerkingen kun je ook echt krijgen, soms zelfs goedbedoeld, maar ze doen pijn omdat ze de ernst van je ervaring missen.
Daardoor zeg je minder snel dat je last hebt van paniekaanvallen, of je verzint smoesjes: “Ik voel me niet zo lekker”, “Ik moet even naar de wc”, “Ik heb wat met mijn hart”. Van binnen schreeuwt alles, maar naar buiten toe houd je de boel overeind – en dat is misschien nog wel het meest vermoeiende.
Hoe een paniekaanval verloopt
Een paniekaanval voelt eindeloos, maar in de meeste gevallen bereikt de paniek binnen ongeveer tien minuten een piek en zakt daarna langzaam weg. Het probleem is dat je middenin die piek het gevoel hebt dat het nóóit meer normaal gaat worden.
Typisch verloop:
Je merkt een lichamelijke sensatie (hartslag, adem, duizeligheid) en denkt: “Hé, wat is dit?”
Binnen seconden schiet er een catastrofale gedachte door je hoofd: “Dit gaat fout.”
Je zenuwstelsel slaat op tilt, je hartslag schiet omhoog, ademhaling versnelt, spieren spannen aan.
De angst bereikt een hoogtepunt: je hebt het gevoel dat je doodgaat, flauwvalt of gek wordt.
Langzaam raakt je lichaam uitgeput en nemen de symptomen af, als golven die steeds iets lager worden.
Daarna blijf je vaak achter alsof je “nagebaard” hebt van angst: uitgeput, gespannen, misselijk, met spierpijn en vooral doodop in je hoofd.

De angst voor de volgende aanval
Misschien wel het meest verraderlijke stuk: niet de aanval zelf, maar de angst voor een volgende aanval. Na een paar keer begin je patronen te zien: “Het gebeurde in de tram… in de supermarkt… in die vergadering”.
Je brein legt een verband: “Die plek = gevaar”. Voor je gevoel “voel” je een paniekaanval al bij het idee om naar die plek te gaan. Alleen al het plannen van een treinreis, afspraak, feest of werkdag kan dan al stress geven.
Zo ontstaat een vicieuze cirkel:
Je bent bang voor een aanval.
Door die angst ben je continu gespannen.
Door die spanning voel je sneller lichamelijke sensaties.
Die sensaties triggeren weer paniek.
En zo kun je een paniekstoornis ontwikkelen, waarbij de angst voor paniek zelf de grootste vijand wordt.
Wat mij in het moment helpt
Een paniekaanval kun je niet met één truc “uitzetten”, maar je kunt wél leren surfen op de golf in plaats van erin te verdrinken. Dit zijn dingen die in het moment kunnen helpen, juist als alles schreeuwt dat het niet gaat lukken:
Ademen op ritme: 3 seconden rustig in door je neus, 6 seconden langzaam uit door je mond, een paar minuten volhouden. Dit helpt je zenuwstelsel te kalmeren.
Tegen jezelf praten: “Dit is een paniekaanval. Het is heel heftig, maar niet gevaarlijk. Mijn hart mag hard kloppen, mijn lijf mag shaken. Het zakt straks weer.”
Iets kleins doen: een glas water drinken, een appje sturen, hardop lezen of tellen – alles wat je net genoeg uit je hoofd haalt.
Je lijf in beweging zetten: even lopen, trap op en af, je armen bewegen; zo verbruik je adrenaline en help je de spanning af te vloeien.
Belangrijk is dat je niet óók nog boos wordt op jezelf omdat het gebeurt. De aanval is al zwaar genoeg; je hebt niet ook nog je eigen oordeel nodig.
Wat op langere termijn verschil maakt
Hoe onmachtig je je ook voelt: paniekaanvallen zijn goed te behandelen, en veel mensen krijgen hun leven weer op de rit met de juiste hulp. Een paar dingen kunnen op de langere termijn helpen:
Uitleg krijgen: begrijpen wat een paniekaanval is en dat het lichamelijk niet gevaarlijk is, haalt al een deel van de angst weg.
Niet alles vermijden: stapje voor stapje situaties weer opzoeken die je bent gaan vermijden, liefst met steun van iemand anders of een therapeut.
Structuur en rust: voldoende slaap, regelmatig eten, minder cafeïne en alcohol – je zenuwstelsel is gevoeliger, en routine helpt het te stabiliseren.
Professionele hulp: cognitieve gedragstherapie, EMDR of andere vormen van behandeling kunnen helpen om de cirkel van angst te doorbreken.
Zo’n weg is niet in één blog te vangen, maar het belangrijkste is: je bent niet gek, je bent niet de enige, en er ís echt iets aan te doen.
Als je jezelf hierin herkent
Als je jezelf herkent in deze beschrijving – de plotselinge angst, de controle kwijt zijn, het vermijden van situaties – dan kan dat tegelijkertijd pijnlijk en opluchtend voelen. Pijnlijk, omdat je beseft: “Dit is dus echt wat er met mij gebeurt.” Opluchtend, omdat je nu woorden hebt voor iets waar je misschien al lang mee rondloopt.
Het is moedig om dit überhaupt te lezen. Het betekent dat er een deel in jou is dat iets anders wil dan alleen overleven van aanval naar aanval. Dat deel verdient aandacht, steun en – als het even kan – professionele hulp.
Je hoeft niet alles alleen te doen. Praat er met iemand over die je vertrouwt, met je huisarts of met een hulpverlener. Paniekaanvallen zijn intens, maar ze hoeven niet te bepalen hoe jouw leven er voor altijd uitziet.